Rond de leestafel

Opa: wat zijn dat voor hokjes?

Steeds meer verdwijnt de telefooncel uit ons straatbeeld. Van de vierduizend telefooncellen in ons land, is de helft al niet meer rendabel en gesloopt. Maar in ons dorp staan er maar liefst drie op een rij onder het Bakema-gebouw, naast het VVV-kantoor. Niet dat ik daar iets op tegen heb. Integendeel.


Drie op een rij...

Zo’n cel wekt bij mij nostalgische gevoelens op. De telefooncel was een moment van onthaasting. Je kon er rustig in naar huis bellen, hooguit stond er nog iemand voor de deur te wachten, maar lang duurde dat nooit. Nog nooit heb ik in een van de drie cellen op het Plein iemand zien bellen, maar dat kan natuurlijk toeval zijn.

Nu zijn er meer mobiele telefoons dan Nederlanders. Iedereen heeft er wel eentje, of zelfs twee! Tegenwoordig wordt er lopend, fietsend of autorijdend met het mobieltje gebeld. En dankzij Bluetooth zie ik ook vaak in zichzelf pratende mensen druk gebarend op straat lopen, dat ziet er nogal achterlijk uit.

Zelfs de jongste jeugd loopt met zo’n ding rond en snapt niet waarom die telefooncellen er nog staan. Een deel van de uitgaande jeugd denkt zelfs dat het een ding is waar je ieder weekend je frustraties op kunt botvieren. Maar dat valt in ons dorp, ondanks de verscholen ligging onder het Bakema-gebouw, gelukkig nog wel mee.
Dat was in de jaren zeventig en tachtig wel anders. Toen werden telefooncellen consequent gemold. Nog meer dan bushokjes. Het was een wonder als je er een vond die het nog deed. Alleen al rond de jaarwisseling moest een op de drie cellen het ontgelden.

De telefooncel is nog een van de weinige manieren om anoniem te kunnen bellen. In Amsterdam worden ze vrijwel uitsluitend gebruikt door dubieuze of criminele figuren: dealers, gebruikers en straatrovertjes. Daar is de telefooncel een vrijplaats geworden voor lieden die liever geen sporen achterlaten bij een provider. De meeste bellers gebruiken hun GSM voor het te bellen nummer. Zo ver is het in Bergen gelukkig ook nog lang niet.

Vraagt een jongetje aan z’n opa wat voor hokjes daar op straat staan. Zegt opa: "Dat is een telefooncel, jongen. Een soort vaste telefoon op straat. Vroeger kon je er kwartjes in gooien, later moest je er een telefoonkaart in stoppen, een soort pinpas. Er hingen ook grote dikke boeken in, dat noemden ze telefoongidsen "
Je zou er bijna sentimenteel van worden…


Bert.
Reageren? Klik hier>>

Deel deze pagina

Eerder verschenen: